Kathedraalkoor Hasselt

Voorjaarconcert

Johannes-Passion

zaterdag 8 april 2017
20.00 uur
Minderbroederskerk
Minderbroedersstraat 21, 3500 Hasselt

Reserveer online!

Het Kathedraalkoor knoopt weer aan bij de traditie van uitvoering van de Johannespassie van Johann Sebastian Bach, samen met Kamerkoor Maastricht, Collegium Instrumentale Maastricht en uitgelezen solisten:

Jan Caals, evangelist
Philippe Favette, Christus
Els Crommen, sopraan
Rob Cuppens, altus
Laurens Alexander Wyns, tenor
Benoît Giaux, bas

Johannespasiie J.S. Bach - 8 april 2017

Kamerkoor Maastricht

Kamerkoor Maastricht is een klein gemengd koor met een vaste kern van zangers. Het koor staat sinds 1990 onder leiding van Ludo Claesen en streeft een slanke koorklank na, die met name tot zijn recht komt in Barokmuziek en hedendaags repertoire.

Het koor is opgericht in 1960 onder de naam Maastrichts Kamerkoor door de Maastrichtse organist en dirigent Jean Wolfs (1927 – 2003). Onder zijn leiding bouwde het koor een reputatie op in het uitvoeren van werken uit Renaissance en Barok. Het koor trad vanaf 1966 op onder de naam Camera Musica Mosana. Vanaf 1990 is de artistieke leiding in handen van de Belgische koordirigent en componist Ludo Claesen. Sinds 2005 voert het koor de naam Kamerkoor Maastricht.

In Maastricht houdt het koor al jarenlang een traditie in ere van uitvoeringen op Goede Vrijdag van de Johannes Passion van Johann Sebastian Bach. Daarnaast verzorgt het ensemble regelmatig optredens met o.a. muziek uit de Franse en Engelse koortraditie als ook muziek van hedendaagse componisten. Met enige regelmaat staan er werken van de eigen dirigent en componist Ludo Claesen op het programma.

Het koor bestaat grotendeels uit professionele musici en heeft een opmerkelijk niveau bereikt, waardoor het zich kan meten met menig kamerkoor. Op het internationale Korenfestival Tonen2000 in Den Haag viel Kamerkoor Maastricht in de prijzen: cum laude voor het geestelijk repertoire, goud voor het wereldlijk repertoire en bovendien werd het koor uitgeroepen tot het beste Kamerkoor van Nederland in 2006. Kamerkoor Maastricht treedt regelmatig op in Nederland, België en Duitsland.

Naast zijn goed gevulde concertagenda vervult het koor een zeer gewaardeerde taak in het onderwijs aan directie- en zangstudenten aan het Conservatorium Maastricht. Kamerkoor Maastricht biedt hen de gelegenheid ervaring op te doen als dirigent of solist en werkt geregeld mee aan overgangs- en eindexamens.

Collegium Instrumentale Maastricht

Indien het repertoire dat vereist wordt Kamerkoor Maastricht begeleid door een eigen Collegium Instrumentale, bestaande uit professionele musici. Om recht te doen aan de slanke klank van het koor is dit ensemble veelal enkelvoudig bezet. Zo kan een grote transparantie gewaarborgd worden.

Incidenteel treedt Kamerkoor Maastricht op met een instrumentaal ensemble dat gebruik maakt van authentieke barokinstrumenten. In 2010 werd in Wylre het Weihnachtsoratorium van J.S. Bach uitgevoerd in samenwerking met het Orkest Van Wassenaar uit Den Haag.

Ook heeft het koor tal van uitvoeringen verzorgd in samenwerking met het Limburgs Symfonie Orkest. Zo werden Bach’s Johannes-Passion (2001), zijn Matthäus-Passion (2002), Debussy's Pelléas et Melisande (2002) en een project met Belgische componisten -eveneens in 2002 en onder leiding van Ludo Claesen - uitgevoerd. In 2010 voerden Kamerkoor Maastricht en LSO het oratorium Die Schöpfung van Joseph Haydn uit ter ere van het 50-jarig bestaan van het koor.

Omtrent Bach

Jonge Bach

Van alle afbeeldingen die ons van Bach bewaard zijn is er wellicht één enkele authentiek. Ook van de tastbare sporen die ons van andere grote klassiekers overgebleven zijn is er nauwelijks een spoor. Alle huizen waar hij woonde zijn verdwenen. Het Bachhuis in zijn geboorteplaats Eisenach bleek toch niet van Bach te zijn geweest. De kastelen en paleizen waar hij werkte hebben hun glorie verloren of zijn onherkenbaar veranderd. Zijn kerken staan er nog, maar ook die zijn helemaal heringericht. Van de orgels waarop de man speelde die in zijn tijd erkend werd als de beste organist ter wereld, samen met George Frideric Handel, is er niet één nog in zijn oorspronkelijke staat. De Thomasschule in Leipzig, waar Bach van 1723 tot aan zijn dood in 1750 onafgebroken werkte werd in 1902 afgebroken. Weg klankbord van alle cantates, van de Mattheus- en Johannespassie…

Het beeld dat in 1985 op de markt van Arnstadt werd geplaatst is daarom evenveel waard als de afbeeldingen van de deftige, gezette en gepruikte man die we kennen. De kunstenaar heeft 300 jaar later een ware Bach gezien: een viriele Bach die nageniet van de nagalm van zijn eigen onovertroffen orgelimprovisaties. Van zo’n figuur kunnen we ons ook voorstellen dat hij een driftkop kon zijn, die het naast de kerk aan de stok – of beter: aan de degen – kreeg met één van zijn orkestleden die hij de avond daarvoor had uitgescholden voor een jeanette van een fagottist … Deze man in de volle kracht van zijn creatieve vermogens is de perfectionistische en zelfverzekerde kunstenaar die de Johannespassie schreef in 1724. De man die in Weimar een maand in de gevangenis werd gezet toen hij zich verongelijkt voelde en te kennen gaf dat hij weg wilde van het hof, maar zich door die straf niet op andere gedachten liet brengen. De man die het in Leipzig onafgebroken aan de stok zou hebben met kerk en gemeente, vechtend voor zijn muziek, zijn koor en zijn orkest. De man die met beschamend povere middelen verder werkte aan het hoogste dat de Westerse muziek heeft voortgebracht. De hele tijd was hij de enige die er rotsvast van overtuigd was dat zijn muzikale techniek de juiste was en dat zijn talent tot in de hemel reikte.

Zijn tijdgenoten liepen niet zo hoog op met de componist Bach. Toen het stadsbestuur in Leipzig eind 1722 een opvolger moest zoeken voor cantor Johann Kuhnau, stond Johann Sebastian Bach niet op de eerste rij van de kandidaten. Pas nadat Telemann, Fasch en Graubner hadden afgehaakt, besloot men vrede te nemen met “ eine mittlere Kraft”. Toegegeven, dat had niet alleen met muziek te maken: de cantor en director musices moest ook Latijn en Grieks doceren. Op dat terrein had Johann Kuhnau net internationale faam verworven en de prioriteiten van het schoolbestuur waren dus enigszins begrijpelijk. Met name Georg Philip Telemann haakt op dat punt af.

Het was een slecht voorteken: zijn werkgevers hadden het nooit naar hun zin met deze eigengereide Bach die het voor de gewone man allemaal veel te moeilijk maakte. Ze waren dus ook niet bereid om echt in te gaan op de vraag om meer mogelijkheden die de strijdvaardige en onverzettelijke Bach bleef stellen.

Als het aan Bach had gelegen, was hij misschien nooit naar Leipzig verhuisd. Hij had vijf mooie jaren achter de rug als kapelmeester aan het hof van prins Leopold von Anhalt-Köthen. De prins was een groot muziekliefhebber en speelde zelf voortreffelijk gamba. Bach componeerde voor hem veel instrumentale muziek. Geen kerkmuziek, want dat kon niet aan het calvinistische hof. Maar Bach had een voor die tijd bijzonder groot orkest van achttien goed gevormde musici ter beschikking. De prins en de kapelmeester konden heel goed met mekaar opschieten, en Bach was in feite meer dan alleen maar kapelmeester: hij was prinselijk raadgever. Tot de prins in 1722 trouwde. Tijdens een van de eerste middagconcerten begon de prinses zenuwachtig met de voeten te schuifelen. ´s Anderendaags werd Bach gemeld dat de prins was gaan paardrijden en dat het geplande middagconcert geen doorgang zou vinden. Toen dat bericht een tweede keer kwam, wist Bach hoe laat het was. Toen zijn koffers gepakt waren was het hem droef te moede: “ Ich habe hier viel Glück verloren!” zuchtte hij. Wij hadden toen al zijn Brandenburgse concerten, een reeks andere concerten, suites en partita’s. En het beste moest nog komen.

Toen Bach in 1750 stierf, was iedereen het erover eens dat hij passé was. Zijn sterfdatum is in de muziekgeschiedenis ook het eindpunt van de barok. Een van zijn eigen kinderen liet de partituur van de Marcuspassie verloren gaan, omdat hij ze niet het bewaren waard vond. Van het reusachtige cantateproject waarbij Bach gedurende vijf jaar voor ieder zondag en feestdag van het kerkelijke jaar een andere cantate schreef zijn maar drie jaargangen bewaard. Gelukkig was Bach zich van zijn eigen waarde bewust en besteedde hij na 1730 (na zijn Mattheuspassie), toen zijn scheppende kracht niet meer zo ontzettend groot was als in de jaren daarvoor, veel tijd aan het “verdedigen van zijn eigen belangen”: heel veel van zijn eigen muziek heeft hij van toen af geordend, herwerkt en zelf op koperplaat gegraveerd om ze te bewaren. Waarschijnlijk zijn daarvan zijn ogen vroegtijdig moe geworden, en maakte een ongelukkige operatie hem in 1749 helemaal blind.

En wat zou er met de Mattheuspassie gebeurd zijn als Oma Mendelssohn niet op een dag tegen haar kleinzoon gezegd had: “ Du Felix, ich habe hier noch was, das dich vielleicht interessiert…” In een van die gelukkige capriolen van de geschiedenis viel het kostbare manuscript in de handen van iemand die er de waarde meteen van begreep en die de naam Bach opnieuw in de harten zou schrijven met zijn uitvoering van deze passie in Berlijn in 1829.

Pas toen op het einde van de negentiende eeuw de naam Bach weer groot geworden was, wilde men hem een grafmonument geven. Alleen was toen niet meer helemaal duidelijk waar hij begraven lag. Een professor meende in het skelet dat op het kerkhof bij de Jacobkirche werd opgegraven de schedel te herkennen van de Bach van de gekende afbeeldingen. Wie er in de crypte van de Jacobkirche werkelijk werd bijgezet is helemaal niet zeker. In de tweede wereldoorlog werd de kerk verwoest in een bombardement. Pas in 1948 werd het gebeente opgegraven. Een metselaar bracht het in een open zinken kist naar de Thomaskerk, en hij meldde zich daar met de mededeling:“Tag, ich hab’ hier ‘nen Bach bei mir!”. Een ironische belevenis voor de man die de wereld in lengte van jaren ontroert met het slotkoor van zijn Johannespassie: “Ruhet wohl, ihr heiligen Gebeine, die ich nun weiter nicht beweine.”

In de kring van kenners was de erkenning al vroeger gekomen. Beethoven al verwoordde het verdict van de geschiedenis: “Er ist der Meister, vor dem wir alle beugen.”Voor de pianovirtuoos die hij was behoorde het klavierwerk van Bach tot het verplichte dagelijkse oefenmateriaal. Zoals het dat bijvoorbeeld ook voor Chopin was. Maar toen Beethoven aan zijn Missa Solemnis begon ging hij meteen op zoek naar de partituur van Bach’s H-moll Messe. Haar faam was hem bekend, maar op de mis zelf heeft hij tot zijn wanhoop nooit de hand kunnen leggen.

Hoe Bach eigenlijk uitgroeide tot het muzikale genie dat nu algemeen erkend wordt is niet duidelijk. Misschien is het in de grote muzikale Bachfamilie wel helemaal vanzelf gekomen. Vast lijkt te staat dat Johann Sebastian zich met ontzettende volharding zelf gevormd heeft. Toen hij nog geen twintig was had hij al er al een voetreis van 14 dagen voor over om helemaal naar Lübbeck te trekken om er de beroemde organist Dietrich Buxtehude te ontmoeten. Zelf was hij toen al zover dat de oude blinde meester bij het horen van zijn orgelspel zei: “Bei Euch ist die Kunst der Fuge in guten Händen!”Bach is nooit buiten het Duitse taalgebied geweest maar op de plaatsen waar hij gewerkt heeft kreeg hij de kans kennis te maken met de muziek van heel Europa. En hij heeft die op ongelooflijke wijze geabsorbeerd en versmolten met de eigen Duitse, en Lutherse, traditie.

Het allerlaatste woord van de Johannespassie is: “… ich will dich preisen ewiglich.”En dat doet hij tot in lengte van dagen. Naar het woord van één van de ontelbare Lutherse melodieën die Bach van de aarde naar de hemel schreef. Bach, de ingenieur-architect van de Westerse muziek. De technicus wiens werk op onwankelbare fundamenten gegrondvest was, met een stabiliteit die berekend was om de eeuwen te trotseren. En de creatieve kunstenaar die het rotsvaste skelet van zijn eigen constructies behing met de mooiste melodieuze slingers en ze ciseleerde met de meest verbazingwekkende versieringen. Niet altijd elegant. Wel altijd ontroerend. En af. Een wereldbeeld weerspiegelend zoals dat van Shakespeare, waar na de woeligste episodes altijd rust weerkeerde en de natuur haar rechten herwon. Waar de wereld nog hoorbaar op zijn poten stond. Na Bach is de mens daarover anders gaan denken. Maar de melancholie overvalt ons allemaal…

"Ogenschijnlijk heeft Bach alles aan God te danken.
In werkelijkheid is het God die aan Bach schatplichtig is.
Zijn Mattheuspassie is het laatste bolwerk der christenheid,
met tanden en klauwen door de gelovigen verdedigd
als het ultieme bewijs dat Hij wel degelijk bestaat.
Bach zonder God, dat is voorstelbaar.
God zonder Bach was allang weggerationaliseerd
in een tijdgewricht waarin zelfs de dominees Hem niet meer serieus nemen."

(Martin van Amerongen, Zijn bliksem, zijn donder)

Rudi Draye

Omtrent de Johannes-Passion

De Johannes Passion werd voor het eerst uitgevoerd op Goede Vrijdag 7 april 1724, toen Bach bijna een jaar Thomaskantor was. In zijn eerste jaren componeerde Bach bijna wekelijks een nieuwe cantate voor de eredienst, die dan afwisselend in de Thomaskirche en de Nikolaikirche – de eigenlijke hoofdkerk van Leipzig – werd uitgevoerd. Bach had zijn Johannes Passion graag in de Thomaskirche ten doop gehouden, maar hem werd de Nikolaikirche toegewezen. De tweede uitvoering op Goede Vrijdag 30 maart 1725 was wél in de Thomaskirche. Bach verving voor deze gelegenheid het openingskoor, het slotkoraal en twee tenoraria’s door andere composities en voegde bovendien nog een extra aria in. Waarom Bach deze veranderingen aanbracht, is nog altijd niet duidelijk. Opvallend is dat hij bij de derde en vierde versie deze vervangingen weer ongedaan heeft gemaakt. Het lijkt dus logisch om te veronderstellen dat Bach werd gedwongen tot verandering van zijn eerste versie, omdat zijn compositie te theatraal en de tekstkeuze in theologische zin te vrij werd gevonden door de kerkenraad, maar dat hij in 1728 teruggreep op de oude vorm, omdat hij die echt beter vond. Toch is daar geen duidelijk bewijs voor. Een mogelijk argument voor de ingreep is de bepaling in het contract tot aanstelling als cantor (1 juni 1723) die expliciet stelt dat de muziek die Bach zou componeren niet te opera-achtig mocht zijn, maar de vroomheid van de luisteraars diende te bevorderen.

Thema

In het verhaal van Johannes zijn een paar belangrijke thema’s aan te wijzen. Een van die thema’s is het koningschap van Christus. Prachtig is de frictie tussen de wereldlijke macht van de Romeinen en de hemelse macht van Jezus te voelen in de dialoog tussen Pilatus en Jezus. Bachs muziek ben    adrukt dat de grote gezagsdrager Pilatus tijdens die dialoog steeds onzekerder en zelfs bang wordt, terwijl Jezus daarentegen van een onbeduidende verdachte uitgroeit tot een man met een enorm charisma. Johannes lijkt een Jezus neer te zetten die zijn lijden met koninklijke waardigheid op zich neemt. De menselijke worsteling met het lijden wordt bij Johannes veel minder benadrukt dan in de drie andere evangeliën. Niet het meeleven en medelijden weegt door, zoals in de Matthäus-Passion ( O Haupt voll Blut und Wunden), maar de dankbaarheid, in het centrale koraal:

Durch dein Gefängnis, Gottes Sohn,
Muß uns die Freiheit kommen;
Dein Kerker ist der Gnadenthron,
Die Freistatt aller Frommen;
Denn gingst du nicht die Knechtschaft ein,
Müßt unsre Knechtschaft ewig sein.

Het thema van het koningschap wordt door Bach sterk uitgelicht, door de keuze van de tekst Herr, unser Herrscher als openingskoor; de passie eindigt bovendien met Ich will dich preisen ewiglich!

Toch is dit nog niet het echte centrale thema van het verhaal. Wat alsmaar terugkomt in het verhaal is het begrip waarheid. Pilatus steekt niet onder stoelen of banken dat hij waarheid maar iets relatiefs vindt, door sceptisch te vragen: Wat is waarheid?” Maar voor Jezus is er een absolute waarheid en die wil hij koste wat kost verkondigen en daar wil hij zelf tot het uiterste voor blijven instaan. Ook de evangelist Johannes heeft een waarheid te verdedigen, namelijk zijn verhaal. Op het eind van het verhaal zegt hij het nog eens overduidelijk: zijn getuigenis is waar en de waarheid wordt verteld door hem, opdat allen zullen geloven. Johannes doet ook opvallend veel moeite om zijn verhaal controleerbaar te maken door kleine, onbelangrijke feiten toe te voegen, bijvoorbeeld de naam van degene bij wie door Petrus een oor wordt afgehouwen. Ook het feit dat hij zichzelf enkele keren laat figureren – overigens zonder zijn eigen naam te noemen – moet zijn verhaal betrouwbaar maken.

Wat is dan die absolute waarheid van Jezus? Johannes houdt wel van raadselachtige formuleringen en laat Jezus dingen zeggen die de bron zijn gaan vormen van veel theologische debatten. Maar in elk geval zegt Jezus dat hij de zoon van God is en ter wereld gekomen is om de zonden van de hele mensheid op zich te nemen. Als je het verhaal in dat perspectief beziet, is Jezus niet meer een koninklijk figuur, die zich bijna onverschillig gedraagt omdat het hem uiteindelijk toch niet zal deren, maar veel meer iemand die vastberaden zijn zware taak wil volbrengen en niets zal doen om zijn lot te ontlopen. Integendeel: in het voorverhaal nodigt hij Judas uitdrukkelijk uit om zijn taak als verrader te volbrengen en Pilatus vergeeft hij bij voorbaat al voor het feit dat hij ter dood gebracht zal worden. Aan het kruis genageld is hij minder de man van smarten en meer degene die de wil van zijn Vader voltrekt. Hij vraagt zich dan ook niet af waarom God Hem heeft verlaten. Het maakt Jezus’ uiteindelijke zucht van verlichting Het is volbracht plotseling zo menselijk, dat het diep ontroert.

(Naar een introductie van Nico van der Meel)

Cantata for Lent

In 2017 is Ludo Claesen niet minder dan 40 jaar dirigent van (eerst het Sint-Maartenkoor Stevoort en vanaf 1998 het Kathedraalkoor).

Om die uitzonderlijke verjaardag te vieren gaf het koor zijn dirigent een composittieopdracht.
Ludo Claesen koos een cantate bestaande uit drie delen, op teksten rond resp. Aswoensdag, zondag Laetare (halfvasten) en Palmzondag.

De cantate gaat op 8 april 2017 in wereldpremière, voorafgaand aan de Johannespassie.

Cantata for Lent, voor gemengd koor, strijkers, orgel, fluit en hobo.

In mijn bangste uur blijf ik op u vertrouwen
op God, wiens woord ik loof,
in God vind ik mijn rust;
en ik mag onbevreesd zijn:
wat kan een sterveling mij doen?
Ik blijf op u vertrouwen

Verheugt U Jerusalem:
komt allen samen die haar liefhebt
Juicht van vreugde
allen die eens hebt getreurd:
Weest opgetogen
en geniet van de overvloedige troost die u geboden wordt.

Christus is voor ons gehoorzaam geworden
tot de dood
tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoogverheven
en Hem de naam verleend die boven alle namen is.

Cantata for Lent

De dirigent-componist koos voor een cantate voor gemengd koor en kamerorkest binnen het thema van de vastentijd. Cantata for Lent bestaat uit drie delen op teksten voor respectievelijk As¬woensdag, Zondag Lae¬tare (halfvasten) en Palm¬zondag. De tekst¬en die Claesen zet, zijn psalmen en antifonen naast teksten uit het boek Wijsheid en Jesaja, in het Latijn, Nederlands en Engels. De cantate is zo geschreven dat ze als een cantate volledig kan worden uitgevoerd maar ook als drie aparte delen met elk hun eigen identiteit en thematiek die uitermate geschikt zijn voor gebruik tijdens een liturgische dienst of woorddienst.

De toonspraak is hoofdzakelijk modaal met grote aandacht voor de vocale lijnen van waaruit de samenklanken tot stand komen. De bekende tekstprosodie wordt consequent gevolgd zodat de verschillende maatwisselingen en veranderingen natuurlijk aanvoelen. Cantata for Lent heeft een beperkte orkestbezetting: strijkers, orgel, fluit en hobo/cor anglais omwille van de soberheid van de vastentijd. Desondanks klinkt de orkestratie erg coloristisch: kleurrijke harmonieën dragen het koor. Er bestaat ook een versie voor koor en orgel.

Cantata lor Lent wordt voor het eerst uitgevoerd door hel Kathedraalkoor Hasselt op 8 april 2017 in de Minderbroederskerk te Hasselt. Die dag zal het werk als prelude klinken voor de Johannespassie van Johann Sebastian Bach.

(Uit Stemband, tijdschrift van de koorfederatie Koor & Stem)

Altijd leuk

Starten aan een nieuw stuk is altijd leuk, zeker als het van je eigen dirigent komt. Hij kent het koor en weet wat we kunnen, maar slaagt er toch altijd in om er genoeg 'speciallekes' in te steken om het spannend te houden. Cantata for Lent is geschreven in drie talen, wat op zich al leuk is, en ook in verschillende stijlen. De koralen zijn in het Engels en zingen vlotter dan de tussenstukken, die in het Latijn en Nederlands zijn. Die tussenstukken bevatten ook veel - voor Ludo typerende - speciale samenklanken. Op het eerste gezicht lijken ze erg moeilijk en raar, maar als we ze dan voor het eerst zingen is het altijd een leuke verrassing.

Tijdens de repetities zie je Ludo's ogen fonkelen als er weer zo'n samenklank aankomt en staat hij er altijd even extra bij stil. Hij vertaalt de muziek voor ons naar begrijpelijke taal: 'De bassen en alten moeten zorgen voor een platform zodat de tenoren kunnen versieren.' Zijn beeldspraak leidt soms tot grote hilariteit, wat maakt dat ik altijd uitkijk naar de wekelijkse repetities. Ik ben erg benieuwd het eindresultaat te horen!

Annelies Buckinx, lid Kathedraalkoor Hasselt