Kathedraalkoor Hasselt

Over George Frideric Handel

Georg Friedrich Händel (Halle D, 1685), zoon van een barbier-chirurgijn, toonde al vroeg een uitgesproken gave voor muziek. Maar vader Händel had andere plannen voor zijn zoon: die zou rechten gaan studeren. Alleen, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: op een klein spinet, verborgen op zolder, oefende de kleine Friedrich. Op de duur gaf vader toe dat zoonlief zich in de muziek mocht verdiepen en hij kreeg opleiding van de componist Friedrich Zachow.

Toen de jongen elf was, overleed zijn vader. Maar de carrièreplanning bleef: Georg ging naar de universiteit in Halle. Daar ontmoette hij Georg Philipp Telemann – hij zou zijn leven lang met hem bevriend blijven. Telemann studeerde rechten in Leipzig, en beider hart lag eigenlijk bij de muziek. In Leipzig ontdekte Georg de liefde van zijn leven: de opera. Zo kwam hij in Hamburg terecht, waar ze een “echte” opera hadden. Hij werd violist in het orkest van de opera, en speelde bij gelegenheid ook klavecimbel. In 1705 ging zijn eigen eerste opera in première: Almira.

Op vraag van Ferdinando de Medici reisde Händel in 1706 naar Italië. De Medici wilde van Firenze de muzikale hoofdstad van Italië maken en trok van overal muzikaal talent aan. Händel ontmoette in Italië de grootste musici van de tijd, o.m. Arcangelo Corelli en vader Alessandro en zoon Domenico Scarlatti. Hij stond er onder de bescherming van hoge heren als kardinaal Ottoboni en gaf concerten in diens paleis. (Ottoboni was een veelzijdig man: hij beriep er zich op dat hij 88 bastaardkinderen had!). Op een dag trad hij er in het strijdperk met Corelli in een klavecimbel-uitdaging. Corelli gaf op, met als reden: “Dit heeft geen zin. Ik speel tegen de duivel!”.

Händel, die zijn naam nu schreef als Giorgio Federico Hendel maakte in ijltempo naam, en werd gekend als Il Sassone (De Duitser). Hij reisde door heel Italië: Rome, Firenze, Venetië, Napels. In Rome schreef hij een oratorium over de Verrijzenis: er werden niet minder dan 1500 programmaboekjes gedrukt! Voor de opera in Venetië schreef hij in 1510 de opera Agrippina: het werd een sensationeel succes, zijn grootste in die dagen. Zijn biograaf Mainwaring noteerde: “Bij nagenoeg elke pauze [het publiek was toen niet zo stil-aandachtig als dat nu het geval is], weerklonken juichkreten zoals Viva il caro Sassone en andere goedkeurende uitdrukkingen”.

Agrippina

Het verblijf in Italië was bepalend voor Händels muzikale vorming. Zijn roem verspreidde zich door heel Italië, en daarbuiten. In 1710 keerde Händel terug naar het Noorden en werd er kapelmeester van de keurvorst van Hannover. Die verleende hem in datzelfde jaar toestemming om naar Engeland te reizen, op uitnodiging van de hertog van Manchester, die Händel in Venetië had ontmoet. De opera Rinaldo kende in Londen zo’n overweldigend succes dat Händel eraan dacht die populariteit uit te buiten en zijn verblijf te verlengen. De Londense elite hongerde naar Italiaanse muziek, diva’s, castraten en spektakel. In 1713 won Händel ook nog koninklijke gunst met zijn Ode for the Queen’s Birthday en het Utrecht Te Deum (om de vrede van Utrecht te vieren). Queen Anne kende hem een jaarlijkse toelage toe van £ 200,00 (dat zou nu zowat € 35.000 zijn!)

Händel was dus begrijpelijkerwijze niet gehaast om naar Hannover terug te keren. Een van de vele mythes rond Händel wil dat de keurvorst verbolgen was over het wegblijven van zijn kapelmeester. De waarheid is waarschijnlijk dat hij zo in beslag genomen werd door zijn militaire operaties, dat de afwezigheid van die kostenpost hem goed uitkwam.

Als het verhaal waar was geweest, dan zou Händel in 1714 een groot probleem hebben gehad. Queen Anne stierf kinderloos en was daarmee de laatste Stuart op de Engelse troon. Er waren nogal wat Stuart-kroonpretendenten, maar die hadden het onoverkomelijke nadeel dat ze katholiek waren. Het parlement had zijn voorzorgen genomen en had bepaald dat de troon niet naar een katholiek kon gaan. Zo kwam men uit bij iemand van het zoveelste knoopsgat: Georg, de keurvorst van Hannover… Die werd dus King George I, de eerste van de Hanoverans.

Een andere mythe wil dat Händel in 1717 zijn suite Water Music schreef om de gunst van zijn vroegere – nog altijd verbolgen – werkgever terug te winnen. In feite was het omgekeerde het geval. De troonsbestijging van een “vreemdeling” (die misschien niet eens behoorlijk Engels sprak) viel niet bij iedereen in goede aarde, en George kreeg de raad zijn public relations goed te verzorgen. Het was dus eerder de koning die vragende partij was om via een populair musicus zijn blazoen op te poetsen. De suite werd ’s nachts uitgevoerd, op de Thames op de terugweg van het koninklijke gezelschap naar Londen. Het succes was zo groot dat de hele suite op uitdrukkelijke koninklijke wens drie keer na mekaar werd uitgevoerd.

Water Music

Händel had intussen brede erkenning verworven bij de Engelse hogere (aristocratische) kringen en de intelligentsia. Tot de vorming van die aristocratie behoorde The Grand Tour, een reis naar de Italiaanse kunststeden, om er de geest van de Renaissance en de klassieke oudheid op te snuiven. Een succesvol componist van Italiaanse opera’s viel daarom helemaal in de smaak. Händel werd director of music bij de hertog van Chandos – voor hem schreef hij o.m. de Chandos Anthems.

Händel zou de rest van zijn leven in Engeland doorbrengen. Als hij al terugkeerde naar Europa, dan was dat om de beste solisten op te sporen voor zijn opera’s en ze naar Engeland te halen.

In 1726 verwierf Händel het Britse staatburgerschap. Hij zou voortaan George Frideric Handel heten. Hij werd componist van The Chapel Royal en schreef in die hoedanigheid heel wat muziek, waaronder de Coronation Anthems voor de kroning van George II in 1727 (één daarvan, Zadok the Priest, wordt nu nog bij elke kroning uitgevoerd.).

Intussen bleef Handel een ongemeen succesvol operaman. Hij was niet alleen componist, maar ook organisator, co-manager – wat hem jaren later nog zuur zou opbreken. Tussen 1720 en 1728 schreef hij er heel wat voor The Royal Academy of Music – opgericht door Engelse aristocraten met het specifieke doel de regelmatige uitvoering van Italiaanse opera’s te verzekeren - en zij werden uitgevoerd in The King’s Theatre in Londen ( Floridante, Ottone, Giulio Cesare, Rodelinda, Scipione …). Heel wat van die opera’s werden in de twintigste eeuw opnieuw met succes uitgevoerd.

Haymarket

In 1728 gebeurde er muzikaal iets dat uiteindelijk de carrière van Handel een andere wending zou geven. In The King’s Theatre werd in dat jaar The Beggar’s Opera van John Gay uitgevoerd, met immens succes (61 herhalingen!). The Beggar’s Opera is een satire op de heersende Italiaanse operamode. Hoofdpersonages zijn gewone mensen, zelfs schurken (Bertold Brecht bewerkte in de 20ste eeuw de opera in zijn Dreigroschenoper). En … er werd in het Engels gezongen.

In Engeland werd de toon meer en meer gezet door een groeiende middenklasse, het gevolg van het succes van het land als handelsmogendheid. En die middenstanders maakten géén Grand Tour naar Italië. Integendeel, de afkeer voor dat onbegrijpelijke Italiaans groeide. En het “allegaartje” dat die Italiaans opera’s uitvoerde en dat geen voorbeeld was van goed burgerlijk gedrag versterkte de afkeer alleen maar.

Handel zou tot vooraan in de jaren 1740 pogingen blijven ondernemen om “zijn” Italiaanse opera levend te houden. Hij schreef er meer dan 40. Maar een nieuwe muzikale format won gaandeweg aan populariteit: het oratorium. Een (Engels) oratorium is een grootschalige compositie voor solostemmen, koor en orkest, zonder actie of decors. Meestal ging het om de lyrische voorstelling van een Bijbelverhaal.

Handels eerste Engelse oratorium was Esther. Hij schreef het al in 1718 (onder een andere naam), maar het werd pas in 1732 uitgevoerd. De bisschop van Londen had zich namelijk verzet tegen de uitbeelding van Bijbelse taferelen in het theater (hij was in het algemeen niet opgezet met opera’s en theaters, die hij omschreef als “plaatsen van sodomie”). Dat het om iets anders ging dan de opera werd heel duidelijk aangegeven in de aankondiging:

Op bevel van zijne Majesteit
In The King’s Theatre in Haymarket, volgende dinsdag, 2 mei, zal het gewijde verhaal van ESTHER worden uitgevoerd: een Oratorium in het Engels, eerder gecomponeerd door de heer Handel, en nu door hem gereviseerd.
Noot. Er zal géén actie zijn op het toneel.

Esther was geen groot succes. Een van de redenen was dat de tekst weliswaar Engels was, maar die werd gezongen door Italianen. “Je zou gezworen hebben dat het stuk in het Welsh was!” bemerkte een van de toehoorders. Het format sloeg bij dit publiek ook niet aan: “Een samenraapsel, geen decors, geen kostuums geen actie. Een religieuze farce!”

Brook Street 25

Handel schreef nog een paar oratorio’s in de vroege jaren 1730 ( Deborah en Athalia), maar hij bleef zijn Italiaanse opera trouw. Het managen van het operagezelschap werd gaandeweg moeilijker, allereest omwille van de concurrentie van andere componisten, maar ook door de oprichting van een concurrerend operahuis ( The Opera of the Nobility). In 1737 ging zijn gezelschap failliet. Handel had het daar heel moeilijk mee en datzelfde jaar kreeg hij een kleine beroerte. Hij reisde voor een behandeling met hete baden naar Aken. Toen hij in zijn Londense huis in Brook Street (in een gegoede buurt) werd afgezet was het commentaar: “Hij is weer beter, maar of hij nog ooit muziek zal schrijven of uitvoeren, dat is twijfelachtig.”

De veerkracht van Handel werd onderschat: nog in 1737 stond hij er weer met The Funeral Anthem for Queen Caroline en in 1739 werden twee succesrijke oratoria uitgevoerd: Saul en Israel in Egypt. Uit die periode stammen ook de twaalf grote concerto’s (Opus 6). Handel (die nooit getrouwd was) besteedde ook geld en energie aan het goede doel: hij was mede-oprichter van The Fund fort he Support of Decayed Musicians – een steunfonds voor oud-musici.

Handel House

Handel stond weer op een hoogtepunt van zijn creatief en uitvoerend vermogen. In 1741 schreef hij de oratoria Messiah en Samson. Messiah ging in première in Dublin in 1742, met enorm succes. In de jaren daarna volgden nog de gewijde oratoria Joseph and His Brethern en Belshazzar, en de profane oratoria Semele en Hercules, en ook The Dettingen Te Deum, om de Engelse zege op de Fransen in de slag van Dettingen (1743) te vieren.

Oratorium en anthem waren nu de meeste populaire muzikale vormen in Engeland, en dat was Handels verdienste. Nog tijdens zijn leven werd zijn muziek beschouwd als een uitdrukking van “het Engelse karakter”. In 1749 vatte hij de nationale stemming heel goed in The Music for the Royal Fireworks, gecomponeerd om de vrede van Aken te vieren. De Engelsen houden vol dat de allereerste verkeersopstopping in de geschiedenis zich voordeed bij de generale repetitie (in open lucht) van die suite, toen karren London Bridge blokkeerden en de “gewone man” zich te goed deed aan muziek waarbij ze anders nauwelijks toegang toe hadden. Of dat waar is, is (alweer) heel twijfelachting, want het weer was die dag barslecht.

George Frideric Handel

Handel kreeg daarna in toenemende mate last van slecht zicht. Met grote moeite voltooide hij in 1752 (hij was toen 67) zijn laatste oratorium, Jephtha. Een chirurgijn vond er niets beter op dan het hoornvlies met een naald te doorprikken… met volledige blindheid tot gevolg. (Dat lot deelde hij met Johann Sebastian Bach, die ook mismeesterd werd en blind werd.) Componeren was onmogelijk geworden, maar Handel bleef actief als organist – hij was een fenomenaal improvisator, en als concertorganisator.

George Frideric Handel overleed op 14 april 1759. Hijzelf had de wens uitgedrukt een bescheiden begrafenis te krijgen, maar dat kon het land niet over zijn hart krijgen. Hij werd begraven op dé nationale begraafplaats, Westminster Abbey. (Op zijn grafsteen staat een verkeerde geboortedatum: 1684 in plaats van 1685.)

Westminster Abbey

"Händel ist der einzige, der ich hätte sein wollen, wäre ich nicht als Johann Sebastian Bach in die Welt gekommen."